A&OW > Geografie > Niet-kerende bodembewerking > Groenbedekkers

Groenbedekkers

Een groenbedekker is een gewas dat geteeld wordt voor het in stand houden van de fysische, chemische en biologische bodemvruchtbaarheid en is in staat de bodem te beschermen tegen ongunstige invloeden van regen en wind (verslemping, verstuiving, uitspoeling en erosie). Daarnaast is een groenbedekker ook een bron van organische stof in de bodem wat belangrijk is in verband met bewerkbaarheid, vochtvoorziening, mineralenhuishouding, structuur en bodemleven.

Door het vastleggen van de in de bodem aanwezige stikstof gaat een groenbedekker uitspoeling van nitraten in de winterperiode tegen. Na het inwerken van de groenbedekker kan de vrijgekomen stikstof door een volggewas worden benut.

1. Effecten van groenbedekkers


Voordelen

Door het uizaaien van groenbedekkers na de oogst van het hoofdgewas blijft de bodem bedekt tijdens de winter, waardoor deze beschermd wordt tegen de nadelige invloed van de weersomstandigheden. Naast deze beschermende functie hebben groenbedekkers nog andere voordelen, zowel voor de landbouwer als voor het milieu. Klik op de voordelen voor meer informatie.


Nadelen

Bij het telen van sommige groenbedekkers kunnen er ook ongunstige effecten optreden.

  • Opbrengstderving en/of oogstproblemen bij dekvruchten
  • Onkruidontwikkeling
  • Opslag uit gewasresten en/of zaad
  • Inkuileffect
  • Ziekten, plagen en aaltjes
  • Ongewenste nalevering van stikstof
  • Minder mogelijkheden van onkruidbestrijding
  • Teeltkosten

Wenst u meer informatie betreffende deze negatieve aspecten van groenbedekkers en hoe deze te voorkomen verwijzen we naar “Groenbemesters en nitraatresidu”, een uitgave van de Bodemkundige Dienst van België vzw (klik hier).

top

2. Type groenbedekkers


Bladrijke groenbedekkers

Gele mosterd en bladrammenasBladrammenas, gele mosterd, bladkool en facelia zijn de meest gebruikte bladrijke groenbedekkers.

De belangrijkste kenmerken van bladrijke groenbedekkers zijn:

  • Snelle kieming
  • Vlotte grondbedekking
  • Indrukwekkende penwortel
  • Gering aantal zijwortels
  • Aanzienlijke stikstofopname
  • Vorstgevoelig

Dankzij hun snelle ontwikkeling zijn bladrijke groenbedekkers in staat onkruid goed te onderdrukken.

Omdat deze gewassen zeer vorstgevoelig zijn en eens ondergewerkt snel verteren, kan een vroege vrijstelling van stikstof plaatsvinden.

De totale wortelmassa is behoorlijk minder dan de meeste grasachtige en vlinderbloemige groenbedekkers waardoor hun bijdrage aan organische stof voorziening en het tegengaan van verslemping eerder gering is (Hermans et al., 2010).


Bladrijke groenbedekkers zijn waardplanten voor het witte en het gele bietencysteaaltje. Door de teelt van resistente rassen van bladrammenas en gele mosterd is het onder bepaalde omstandigheden mogelijk om een bestrijding van het witte bietencysteaaltje te krijgen. Deze rassen lokken de aaltjes wel, maar er treedt geen vermeerdering op.

Voor de bestrijding van het witte bietencysteaaltje moet de bodemtemperatuur 15 – 20°C bedragen, waardoor de zaaidatum vóór 1 augustus moet plaatsvinden (Timmer et al., 2004).


Grasachtige bodembedekkers

Japanse haverItaliaans en Engels raaigras zijn de meest gebruikte grasachtige groenbedekkers. Westerwolds raaigras, rogge en haver komen in mindere mate voor.

Grasachtige groenbedekkers hebben volgende kenmerken:

  • Vlotte opkomst
  • Hoge maar langzame stikstofopname
  • Uitgesproken wortelontwikkeling
  • Hoge C/N-verhouding
  • Niet vorstgevoeling

Omdat grasachtige groenbedekker in de winter niet afsterven loopt de stikstofopname in het voorjaar verder.

Door de hoge C/N-verhouding verloopt de vertering eerder traag waardoor de vastgelegde stikstof later in het groeiseizoen wordt vrijgesteld (Hermans et al., 2010).

De grasachtige groenbedekkers leveren dankzij hun sterk ontwikkeld wortelstelsel een grote bijdrage aan de organische stof voorziening van de bodem. De wortels houden de grond op bij elkaar, waardoor de bodem minder snel verslempt (Timmer et al., 2004).


Grassen hebben een aparte rol in de aaltjesproblematiek. Enerzijds zijn er aaltjes die in aantal afnemen door de teelt van een grasachtige groenbedekker, maar anderzijds zijn er ook aaltjes die zich sterk vermeerderen onder gras (Timmer et al., 2004). Voor meer informatie over de aaltjesproblematiek, wordt er verwezen naar aaltjesschema.nl .


Vlinderbloemige groenbedekkers

Klaver, wikke en lupine zijn de meest voorkomende vlinderbloemige groenbedekkers.

De belangrijkste kenmerken zijn:

  • Snelle en uitgesproken bovengrondse groei
  • Omvangrijk wortelstelsel
  • Sterk stikstofbindend vermogen
  • Zeer vorstgevoelig

Dankzij hun sterk stikstofbindend vermogen kunnen vlinderbloemige groenbedekkers een aanvulling vormen op de bemesting.

Ondanks dat het wortelsstelsel zeer omvangrijk en diepreikend is, is de bijdrage aan de organische stof voorziening eerder gering door de dunne aard van de wortels.

Eens de groenbedekkers ondergewerkt zijn vindt een vroege vrijstelling van stikstof plaats (Hermans et al., 2010).

top

3. Selectiecriteria

Een doordachte keuze van een groenbedekker berust op meerdere criteria:

  • Bedrijfseconomische, zoals zaai- en vernietigingskosten of besparing op bemesting
  • Technische criteria, zoals beschikbaar werkmateriaal of geschiktheid binnen de teeltrotatie
  • Biofysische criteria, zoals groeisnelheid, vorstgevoeligheid, stikstofopname en -nalevering of onkruidonderdrukking
  • Bodemgerelateerde criteria, zoals geschiktheid voor de grondsoort of plaag- en ziektedruk in de bodem

Het relatief belang van elk criterium is afhankelijk van de specifieke sitiatie en het geheel van teelttechnische keuzes. Enkele algemeenheden zijn:

  • Met het oog op niet-kerende bodembewerking zijn belangrijke vragen welke groendbedekkers een luchtige bodem creëren die in het voorjaar snel opdroogt en bewerkbaar is, en welke bodembedekkers het minst hinderen bij niet-kerende inzaai van gewassen;
  • Voor een akkerbouwbedrijf met aardappelen, bieten en/of granen in de rotatie, zijn facelia, bladrammenas, gele mosterd en grasachtige groenbedekkers interessante opties;
  • Voor bedrijven met volle grondgroenten zijn eerder tagetes, facelia, bladrammenas of grasachtige als groenbedekker te overwegen;
  • Bij een groot risico op sterke nitraatuitspoeling of vroege mineralisatie van gewasresten van de voorteelt, verdienen snelgroeiende soorten de voorkeur;
  • Bij een late mineralisatie gaat de voorkeur uit naar groenbedekkers met een langzame maar langdurige ontwikkeling

BodemBreedVoor de beoordeling van specifieke groenbedekkers op een aantal van de selectiecriteria, wordt verwezen naar Bijlage 1 van de literatuurstudie van Reubens et al. (2010). Daarnaast kan u voor een uitgebreide handleiding over groenbedekkers terecht op kennisakker.nl. In deze handleiding worden de voor- en nadelen van groenbedekkers besproken. Daarnaast is voor elke groenbedekker een aparte handleiding beschikbaar.

Wenst u de aanbevelende rassenlijst voor groenbedekkers 2011, klik hier.

Binnen het Interreg IVa-project Prosensols werd ondermeer onderzoek verricht naar de eigenschappen van verschillende groenbedekkers. Zo werden de N-opname capaciteit en groencapaciteit van diverse groenbedekkers in de tijd opgevolgd. Resultaten van deze en andere proeven over groenbedekkers binnen het Prosensols-project, kan men vinden op de website.

De associatie Greenotec verricht onderzoek naar verschillende aspecten van groenbedekkers. Voor meer informatie en resultaten van de studies verwijzen we naar de website.

top

4. Enkele aandachtspunten

De teelt van groenbedekkers kan gepaard gaan met enkele knelpunten (Reubens et al., 2010):

  • Tijdige inzaai is bij een late oogst van de voorteelt vaak niet mogelijk;
  • Bodembewerking in het najaar moet wegens tijdgebrek vaak in ongunstige natte omstandigheden gebeuren, en een bewerking op de wintervoor is niet mogelijk wanneer een groenbedekker op het veld staat;
  • Extra inspanningen zijn vereist voor een efficiënte vernietiging en inwerking van groenbedekkers in het voorjaar.

top

Referenties
  • Chaves B., Van Waes J., De VLiegher A., Carlier L., De Vooght N., 2010. Belgische beschrijvende en aanbevelende rassenlijst voor voedergewassen en groenbedekkers. Mededeling ILVO nr. 65, 95 p.
  • Hermans I., Elsen A., Bries J., 2010. Groenbemesters en nitraatresidu, Bodemkundige Dienst van België, 42 pp.
  • Reubens B., D'Haene K., D'Hose T., Ruysschaert G., 2010. Bodemkwaliteit en landbouw: een literatuurstudie. Activiteit 1 van het Interregproject BodemBreed. Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO), Merelbeke-Lembeke, België, 203 p.
  • Timmer R.D., Korthals G.W., Molendijk L.P.G., 2004. Teelthandleiding groenbemesters. In Kennisakker, Praktijkgericht Onderzoek Plant en Omgeving, BV, Wageningen. www.kennisakker.nl
  • Wageningen UR, 2005. Mest- en mineralenkennis voor de praktijk. Teelt en stikstof-effect van groenbemesters. Plantaardig Blad 18.

top